Bovendeurstukken - een decoratieve traditie

De foto rechts toont een bovendeurstuk in een deel van de oorspronkelijke interieurbetimmering. Het doek moet nog worden gereinigd, daarom bieden we u dit nog niet in de catalogus ter verkoop aan. Het is echter exemplarisch voor dit soort decoratieve werken, vandaar dat we het u toch graag laten zien. Ars Decora biedt drie andere bovendeurstukken ter verkoop aan, een brunaille met twee slapende bacchanten (zie de foto hieronder, en klik hier voor meer informatie), een andere brunaille met een verbeelding van Venus en Adonis (klik hier) en een pastoraal tafereel in de stijl van Van Strij (klik hier).

Bovendeurstukken staan in een lange traditie. Vanaf de zeventiende- tot en met het eerste kwart van de twintigste eeuw werden voorname vertrekken in wooninterieurs gedecoreerd met bovendeurstukken, bijna altijd in samenhang met een haard- cq. schouwstuk en/of een plafondstuk. In Nederland bereikte de interieurschilderkunst een hoogtepunt in de achttiende eeuw. Representatieve vertrekken in patriciërshuizen, kastelen (en koninklijke paleizen) werden opgeluisterd met decoratieve schilderingen en wandbehangsels. Daarbij werd gestreefd naar samenhang tussen de betimmering, de meubilering en de stoffering van het vertrek al dan niet onder regie van architect of décorateur.

Beroemd zijn de zogenaamde ‘witjes’ die vernoemd zijn naar één van de belangrijkste Nederlandse interieurschilders Jacob de Wit (1695-1754). Dergelijke schilderingen noemt met ook wel ‘grauwtjes’(vanwege de grijstint) of ‘grisailles’. Het was de kunst om met een grisaille de beeldhouwer naar de kroon te steken door het schilderen van ‘trompe-l’oeils’ (gezichtsbedrog). De beschouwer moest de indruk krijgen met beeldhouwwerk van doen te hebben.

Vanaf ongeveer 1770 treedt er een versobering in van de interieurdecoratie. Als gevolg van de politieke situatie (Franse Revolutie) en de daarmee gepaard gaande economische neergang zet deze versobering zich door. Bovendien worden door de Industriële Revolutie nieuwe machinaal vervaardigde producten op de markt gebracht, zoals bijvoorbeeld het gedrukte papieren behang of de oleografie. Geschilderde decoraties worden daarmee letterlijk uit de markt gedrukt.

Vaak werden op figuratieve interieurschilderingen zogenaamde putti afgebeeld. Deze mollige kinderfiguurtjes verbeeldden vrijwel altijd een allegorie, zij het dat de symboliek in de loop der tijden steeds minder belangrijk werd. Putti treft men al in de oudheid en via onder meer Titiaan en Rubens hebben zij hun weg gevonden naar het Nederlandse interieur. Veel van deze interieurstukken zijn niet meer ter plekke aanwezig. Het waren roerende zaken die in het beste geval geveild werden wanneer ze niet meer voldeden aan de heersende interieurmode.

Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw is er sprake van een wederopleving van de decoratieve schilderkunst in het interieur. Het waren vooral gegoede burgers zoals reders, bankiers, advocaten en kooplieden die hun huizen lieten verfraaien met interieurschilderingen. Ze spiegelden zich daarbij aan wat aan het hof gebruikelijk was. Omstreeks 1910 zet de neergang in met de verzakelijking van de bouwkunst.

Naast de genoemde bovendeurstukken biedt Ars Decora haardstukken aan van Callot en een plafondstuk van Fabri.